Wagner

Richard Wagner

Geboren in Leipzig op 22 mei 1813
Overleden in Venetië op 13 februari 1883

Levensbeschrijving en achtergrond:

Richard Wagner is op 22 mei 1813 geboren in Leipzig. Het waren zeer roerige tijden, waarin Napoleon nog één keer wilde proberen de macht over Duitsland te verwerven. In oktober 1813 werd er een beslissende slag geleverd vlakbij Leipzig, waarin de coalitie van o.m. Russische en Oostenrijkse soldaten zegevierde. Dysenterie- en cholera-epidemieën, die vlak daarna uitbraken, eisten het leven van de vader van Wagner. Hij heeft hem feitelijk dus nooit gekend. De zoektocht naar zijn vader en vragen over zijn afkomst zou een belangrijk thema in zijn werken worden.
De roerige tijden waren na het verslaan van Napoleon allerminst voorbij. Europa werd nog steeds geregeerd door een groot aantal vorstenhuizen en keizerrijken. Het volk had veelal te maken met lijfeigenschap, grillige wetgeving en hongersnood.
Duitsland werd sinds 1815 (Verdrag van Wenen) bijeengehouden door een statenbond. Koningen, hertogen en hogere en lagere adel heersten over eigen Duitse rijkjes. Verzet tegen de traditionele adel leidde in onder meer Italië en Duitsland tot opkomend nationalisme.

Een oom van zijn vaderskant bracht Richard al vroeg op het muzikale spoor. Op 16-jarige leeftijd zag hij een opera, waarvan hij zo onder de indruk was, dat hij besloot musicus te worden. Op zijn 19e componeerde hij zijn eerste opera, Die Hochzeit. Zijn muzikale carrrière zou daarna snel een vlucht nemen. Al vanaf het begin voelde hij de drift om grootse dingen te gaan doen, waarover hij ook veel beschouwingen publiceerde. Niettemin zou het nog tot 1842 duren vóórdat zijn eerste grote werk in première ging, Rienzi. Componeren in zijn stijl was niet bepaald een kleinigheid. Bovendien kon hij niet goed kiezen tussen werken (en daarmee het hoognodige geld verdienen) en componeren.  Verder was hij erg ijdel en leefde voortdurend ver boven zijn stand. Daardoor kwam hij in grote geldnood en moest in 1839 de vlucht naar Parijs nemen om aan zijn schuldeisers te ontkomen. Daar ontmoette hij o.m. Franz Liszt, zijn latere schoonvader.

In 1842 was de kust weer veilig en vestigde hij zich met zijn eerste echtgenote, de actrice Milla Planer, met wie hij in 1837 was getrouwd, in Dresden.
In de jaren daarna ontstonden bij hem de gedachten voor een compleet nieuwe operavorm en –beleving. Die was tot dan toe vooral bij uitstek een sociaal gebeuren voor de elite (de traditionele adel en de eerste opkomende rijke burgerij). Opera en muziek diende als vermaak op de achtergrond. Dat moest volgens Wagner veranderen. De muziek moest centraal komen te staan. Bovendien moesten die opera’s gaan over grote verhalen over de wereld en de mensheid, het Gesamtkunstwerk.

Het was de eeuw ná die van de Verlichting, waarin door veel wetenschappelijke ontdekkingen de mythe van het Bijbelse verhaal op de tocht was komen te staan en waarin het verstand (de ‘Rede’) als hoogste goed werd gezien. Wagner realiseerde zich, mogelijk ook onder invloed van de Sturm und Drang-periode, die in de dertiger jaren heerste, dat de mensheid een blijvende behoefte heeft aan mythische verhalen, waaraan individuen, groepen en hele volken zich kunnen spiegelen en die gevoel van identiteit kunnen geven. Nu de godsdienst terrein verloor, werd de behoefte gevoeld daarvoor iets in de plaats te stellen.
Vanaf omstreeks 1800 ontstond er de behoefte aan zoiets als de mythe van het volksbewustzijn, dat niet alleen was gebaseerd op de Griekse en Romeinse mythologie, maar ook op Middeleeuwse legenden en sagen, hetgeen leidde tot opkomend nationalisme. De natie als constructie, waarin alle mensen, die ertoe behoren, dezelfde etnische afkomst, taal, cultuur en mogelijk zelfs godsdienst gemeen hebben. Wagner begon zich hiervoor al op vrij jonge leeftijd hevig te interesseren. Hij kreeg visioenen van een groot Duitsland met een volk met één Duitse identiteit en hieraan in grote mate te kunnen bijdragen.

Die Duitse identiteit kreeg al vanaf omstreeks 1800 enige vorm. Terwijl een werk als Karel ende Elegast voor de Nederlanden belangrijk was, waren er ook de nodige Germaanse mythen en sagen, die in de Duitse staten tot de verbeelding spraken.
De 19e eeuw was een eeuw waarin het nationalisme ontstond. Er was behoefte aan imagined communities, niet alleen fysiek, maar ook cultureel, ideologisch, etnisch, als identificatie en bescherming tegen aanvallen van buitenaf. Al lang levende mythen konden daaraan bijdragen.

De adel, die Duitsland in allerlei staatjes verdeelde, stond die éénheid in de weg. Toen in 1848 in Parijs na het verschijnen van het communistisch manifest een groot oproer uitbrak en oversloeg naar andere landen, waaronder Duitsland, sloot Richard Wagner zich daar al snel bij aan. Hij nam actief deel aan rellen in Dresden en hield er een vlammende toespraak. Vanaf dat moment werd hij door de autoriteiten gezocht en sloeg andermaal op de vlucht, nu naar Zürich in Zwitserland, later vestigde hij zich in Tribschen bij Luzern. Tot 1860, toen hem amnestie werd verleend, zou hij niet meer in Duitsland komen.

In 1854 maakte hij kennis met een filosofisch werk, dat erg aansloot bij de gedachten die hij al aan het ontwikkelen was. Dit werk was Die Welt als Wille und Vorstellung van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1787-1860). 

De wereld als wil en voorstelling

Het boek verscheen in 1818. Immanuel Kant had enkele tientallen jaren daarvoor al een omwenteling in de ‘Verlichte’ filosofie teweeggebracht met zijn visie dat wij de werkelijkheid construeren ipv waarnemen. Al onze waarnemingen worden gefilterd door een neurologisch systeem, dat alles samenvoegt tot één beeld, dat we werkelijkheid plegen te noemen. Oorzaak en gevolg, rangorde, hoeveelheid, ruimte en tijd zijn geen begrippen buiten ons bestaan, maar we conceptualiseren en construeren die zelf.
Daarbuiten kunnen we niet zien. Daarom blijft het Ding an Sich, de entiteit die er is vóórdat wij deze met onze zintuigen en kenvermogens bewerken, eeuwig onkenbaar.
Niettemin staan bij Kant de rede en het goede in de mens centraal itt tot Schopenhauer. Bij hem staat de wil ofwel de drift centraal. Wij nemen de wereld derhalve waar zoals we die willen waarnemen. Het is denken en handelen vanuit impulsen. Van wat ons drijft en waarom, kennen we maar een klein gedeelte. Dat is misschien maar goed ook. De stoppen zouden doorslaan, als we zouden weten wat er onder de oppervlakte allemaal schuilgaat aan wreedheid, angst, jaloezie, driften, agressie en zelfzucht. Het gaat om de wil tot overleven, de wil kennis en macht te vergaren, de wil er te zijn. Dit geheel van driften is alleen ‘veilig’ waar te nemen door de ‘sluier van Maja’. Hierdoor zijn we niet vrij in ons denken en oordelen. Alleen de kunst en met name de muziek biedt de mens de mogelijkheid tot veilige waarneming zonder dat dit fatale gevolgen heeft.

Naast Wagner werd ook Friedrich Nietzsche (1844-1900) door dit werk geïnspireerd. Zij onderhielden vanaf 1868 gedurende een aantal jaren een intensieve band. Zij vonden elkaar in hun de gedachte, dat de kunst en met name de muziek de plaats van de bijbelse mythe kon overnemen en de kunst voor iedere mens belangrijk was. Die band raakte echter weer verstoord, toen Nietzsche vond, dat Wagner wel heel erg begon af te wijken van zijn revolutionaire principes (‘kunst voor het volk’) en ook te veel terugkeerde naar het christendom. Wagner is daarvan nooit volledig los gekomen zoals niet alleen blijkt uit Lohengrin, maar ook uit Parsifal, zijn laatste opera, gebaseerd op het lijdensverhaal van Christus.

De kritiek van Nietzsche op Wagner was zeker niet ten onrechte. In zijn drang grootste dingen te willen realiseren, zoals grote opera’s en een eigen Festspielhaus (gebouwd volgens zijn theoretische inzichten hoe theater moest zijn), liet hij zich de gunsten van de adel en rijke Joden aanleunen. Het was met name koning Ludwig II van Beieren, die het Wagner mogelijk maakte die dromen te laten uitkomen. Dat het ook om dromen van Ludwig zelf ging en hij daarbij bepaald niet altijd rationeel handelde, blijkt uit het feit, dat het hem een aantal jaren later teveel werd en hij zelfmoord pleegde.

Wagner en de vrouwen
Tekenend voor de persoon van Wagner is verder de rol, die vele vrouwen in zijn leven hebben gespeeld. Hoewel hij een zwakke gezondheid had en bepaald niet knap van uiterlijk te noemen was, had hij vele buitenechtelijke affaires, kreeg tot drie keer toe een intensieve relatie met een getrouwde vrouw, waaronder Mathilde Wesendonck, aan wie hij de Wesendonck-liederen zou opdragen en Cosimá von Bülow-Liszt, dochter van de componist Franz Liszt en echtgenote van een dirigent, met wie Wagner goed bevriend was.
In 1858 was Wagner al gescheiden van zijn eerste echtgenote, in 1870 trouwde hij met Cosima. Hoewel Cosima, doordat zij zich vrijwel volledig in dienst stelde van Richard, enige rust in zijn leven bracht, was het met de affaires van Richard zeker nog niet gedaan. Het verhaal gaat zelfs, dat hij voorafgaand aan zijn onverwachte overlijden in februari 1883, toen ze samen in Venetië waren, naar aanleiding van een affaire daar met een jonge vrouw, heftige ruzie met Cosimá heeft gehad en dat de aanleiding voor de fatale hartaanval is geweest, waaraan hij overleed.
Wagner kreeg één zoon uit zijn huwelijk met Cosimá, Siegfried geheten. Hij zou samen met zijn latere vrouw Winifred de Wagnerdynastie voortzetten.

Wagner was bepaald geen voorstander van vrouwenemancipatie (‘politisierung des weibes’). Vrouwen konden voor hem zowel groots zijn als verwerpelijk. Politiek optredende vrouwen waren volgens hem een verschrikking. Het is terug te vinden in de karakterschets van Ortrud in de opera.

Revolutionair, kunstenaar, filosoof, rokkenjager, maar vooral behept met een niet te stuiten drang zich te laten gelden door grootse kunstwerken te realiseren, die zich door die grootsheid in het bewuste èn onbewuste deel van de mensheid zouden vestigen. Dat deed hij middels zijn monumentale opera’s die alleen al qua tijdsduur en omvang van orchestrale en vocale bezetting tot de grootste gerekend kunnen worden. Als mens was hij voor velen zeer geliefd óf onuitstaanbaar. Een enfant terrible van de hoogste soort. Hij was daarmee niet alleen een fervent aanhanger van de filosofie van Schopenhauer, maar ook de belichaming daarvan. Zijn onstuitbare geldingsdrang als kunstenaar en de aantrekkingskracht, die vrouwen op hem uitoefenden, zijn, naast zijn genie, de allesbepalende factoren in zijn leven geweest.

Wagner en het nazisme
Dat het werk van Wagner een kleine eeuw later voor het nationaal-socialisme een ideale voedingsbodem vormde, lag voor de hand. Hitler was erg gecharmeerd door zijn betekenis voor de Duitse eenwording, zijn antisemitische uitlatingen  en de mythevorming van één groot Duits volk. Niet voor niets baseerden de nazi’s hun symbolen op de germaanse oudheid.
Toch is het discutabel Wagner dit aan te rekenen, alleen al omdat we nooit zullen en kunnen weten hoe hij tegenover het nationaal-socialisme zou hebben gestaan. Streven naar de eenheid van Duitsland was in zijn tijd niet anders dan progressief, zijn antisemitische houding kan hem worden verweten, maar een uitzondering was hij bepaald niet in zijn tijd. Wat we wel weten, is de rol die Winifred Wagner-Williams, de weduwe van de zoon van Wagner, Siegfried, t.a.v. het nazisme heeft gespeeld. Zij leidde toen de Bayreuther Festspiele en liet zich vanaf 1933 de grote belangstelling van Hitler met overgave welgevallen. Vanaf dat jaar tot het einde van de oorlog zou Hitler steeds de opening van de Festspiele bijwonen.

Na de oorlog heeft de Wagner-dynastie, die voortleefde in Wieland en Wolfgang, de 2 zonen van Winifred en Siegfried, volledig afstand genomen van de nazi-ideologie, zozeer, dat vanaf 1951 de opening van de Festspiele weer door de Duitse kanselier wordt bijgewoond. Wagner is sindsdien geen symbool meer van de nazi’s, maar blijft dat wel van Duitsland.

Opera’s

Tristan en Isolde
Lohengrin